Xenotilapia bathyphilus
Xenotilapia bathyphilus is voor het eerst beschreven door Poll in 1956. Deze soort behoort tot de familie van de Cichliden (Cichlidae) en het geslacht Xenotilapia. De Nederlandse naam is niet eenduidig gebruikt, maar de soort wordt soms aangeduid als Gele Zand Cichlide, een vrije vertaling van het Engelstalige Yellow Sand Cichlid.
De geslachtsnaam Xenotilapia is afgeleid van het Griekse “xenos” (vreemd of anders) en “tilapia”, een verzamelnaam voor Afrikaanse cichliden. De specifieke naam “bathyphilus” komt van het Griekse “bathy” (diep) en “philos” (liefhebber), wat aangeeft dat deze vis van diepe wateren houdt .
Synoniemen: Xenotilapia ochrogenys bathyphilus en de incorrecte spelling Xenotilapia bathyphila.
Beschrijving
Xenotilapia bathyphiluus is een slanke, gestroomlijnde vis die voornamelijk op de bodem leeft. De maximale lengte die deze soort bereikt is ongeveer 10 tot 12 centimeter, waarbij mannetjes over het algemeen iets groter worden dan vrouwtjes. De lichaamsvorm is langwerpig en zijdelings samengedrukt, met een relatief lange staartsteel.
De kleur van Xenotilapia bathyphilus is over het algemeen bruin-grijs. Langs de ruglijn, boven de borst en op de kop kunnen blauwachtig iriserende gebieden voorkomen. De lippen en het onderste deel van de kop zijn meestal gelig gekleurd. Op de kieuwdeksels bevindt zich vaak een grote, zwarte vlek. Op de flanken zijn enkele korte, diffuse vlekken te zien die soms zwak zichtbaar zijn. De rugvin heeft een brede gele rand en vertoont zwarte, wit of lichtblauw omzoomde oogvlekken.
Geslachtsverschillen zijn aanwezig: mannetjes zijn vaak kleurrijker dan vrouwtjes. Mannetjes kunnen een turkooisblauwe bovenlip en horizontale blauwe en gele markeringen in de rugvin hebben. Dominante mannetjes kunnen zelfs een zwart horizontaal band in de rugvin vertonen. Vrouwtjes zijn daarentegen meer zilverkleurig en missen duidelijke patronen.
De kop van de vis is licht convex gevormd met een afgeronde snuit. De mond is sterk onderstandig, wat aangepast is aan het doorzeven van zand op zoek naar voedsel. De buikvinnen zijn relatief lang en worden gebruikt om zich op de bodem af te steunen wanneer de vis rust.
Juveniele dieren zijn minder gekleurd dan volwassen exemplaren. Het temperament van de Xenotilapia bathyphilus wordt beschreven als vrij vreedzaam, hoewel er binnen de soort soms enige agressie kan voorkomen, meestal beperkt tot het wegjagen van soortgenoten. Ze zijn sterk bodemgebonden en besteden het grootste deel van hun tijd aan het opnemen van zand om dit door hun kieuwen te zeven op zoek naar voedsel. De zwemzone is dus voornamelijk de bodem. De levensverwachting in de natuur is niet specifiek vermeld, maar voor aquariumhouders wordt een levensverwachting van rond de 10 jaar aangegeven, afhankelijk van de omstandigheden.

Biotoop
Xenotilapia bathyphilus is een endemische soort die exclusief voorkomt in het Tanganyikameer in Oost-Afrika. Deze soort wordt gevonden rondom het gehele meer. De naam “bathyphilus” zelf verraadt al een deel van zijn habitat: “bathy” (diep) en “philus” (houdt van) geeft aan dat deze vis graag in dieper water vertoeft .
In het aquarium gedijt deze vis het best in water met een temperatuur tussen de 24°C en 27,5°C. De soort bewoont de zandzone van het meer. Dit betekent dat het substraat in hun natuurlijke omgeving voornamelijk uit fijn zand bestaat. Het is belangrijk om in het aquarium ook een bodem van fijn zand te gebruiken, en geen scherpe steensplinters, om te voorkomen dat de vissen hun bek beschadigen tijdens het zandzeven .
De diepte waarop Xenotilapia bathyphilus wordt aangetroffen, varieert, maar ze worden geassocieerd met de diepere delen van de zandbodem. De specifieke waterwaarden in het Tanganyikameer zijn over het algemeen hard en alkalisch, met een pH tussen 8,8 en 9,3.
Dieet
In hun natuurlijke omgeving bestaat het dieet van Xenotilapia bathyphilus voornamelijk uit kleine ongewervelde dieren en insectenlarven die ze uit het zand filteren. Ze nemen zand op in hun bek, kauwen het, en spugen het vervolgens weer uit, waarbij eetbare deeltjes door hun kieuwen worden tegengehouden. Dit gedrag is kenmerkend voor zandcichliden.
In het aquarium kan Xenotilapia bathyphilus gevoerd worden met een gevarieerd dieet dat hun natuurlijke voedingspatroon nabootst. Geschikt aquariumvoer omvat fijn granulaat (zinkend) of vlokvoer van goede kwaliteit. Daarnaast worden levend en diepvriesvoer zoals Artemia, Cyclops, Mysis en witte of zwarte muggenlarven goed geaccepteerd.
Praktische tips voor het voeren zijn onder andere het tijdelijk uitschakelen van de stromingspomp tijdens het voeren. Dit zorgt ervoor dat het voer naar de bodem zinkt en de vissen hun natuurlijke zandzeefgedrag kunnen uitoefenen. Het is belangrijk om te zorgen voor voer dat niet te grof is, om te voorkomen dat de vissen zich verslikken of hun bek beschadigen.
Veelgemaakte fouten bij het voeren van deze soort zijn het aanbieden van te grof voer of een eenzijdig dieet. Een dieet dat te weinig eiwitten bevat, kan leiden tot gezondheidsproblemen. Het is ook belangrijk om niet te veel te voeren, om de waterkwaliteit op peil te houden.

Het Aquarium
Voor het houden van Xenotilapia bathyphilus is een aquarium met een ruim bodemoppervlak zeer belangrijk, aangezien deze vissen sterk bodemgebonden zijn en veel tijd besteden aan het zeven van zand. Een minimale lengte van 120 centimeter wordt aanbevolen voor een kleine groep. Als er meerdere mannetjes aanwezig zijn, dient het aquarium aanzienlijk groter te zijn, met een lengte van minimaal 2 meter voor een groep van 10 vissen met 3 mannetjes, zodat elke man zijn eigen territorium kan afbakenen.
De inrichting van het aquarium moet gericht zijn op het nabootsen van hun natuurlijke habitat. Een bodem van fijn zand, bij voorkeur zonder scherpe steensplinters die de bek van de vissen kunnen beschadigen tijdens het zandzeven. Het is nuttig om de bodem op te delen in verschillende zones met visuele barrières. Verder zijn schuilplaatsen en wat open zwemruimte belangrijk.
De waterwaarden voor Xenotilapia bathyphilus moeten overeenkomen met die van het Tanganyikameer. De temperatuur dient tussen de 22°C en 26°C te liggen. De pH-waarde moet alkalisch zijn, tussen 8.5 en 9, en de totale hardheid (GH) tussen 7 en 11 °dH.
Wat betreft medebewoners, Xenotilapia bathyphilus wordt beschreven als een vrij vreedzame vis, waarbij agressie zich meestal beperkt tot het wegjagen van soortgenoten. Ze kunnen in een haremhouding worden gehouden in een gezelschapsaquarium van de juiste grootte. Het is echter belangrijk om te kiezen voor andere cichliden uit het Tanganyikameer die een vergelijkbaar waterprofiel prefereren en een vreedzaam tot semi-agressief temperament hebben. Het is raadzaam om te voorkomen dat ze worden gehouden met te kleine vissen die als voedsel kunnen worden gezien, of met te dominante of agressieve soorten die de Xenotilapia bathyphilus kunnen stressen.
Kweekaquarium en Conditioneren
Xenotilapia bathyphilus is een maternale muilbroeder, wat betekent dat het vrouwtje de eieren en jongen in haar bek bewaart. De soort wordt beschreven als vrij vreedzaam, maar er kan enige agressie voorkomen binnen de soort, voornamelijk gericht op het wegjagen van soortgenoten. Dit gedrag kan intensiveren tijdens de kweekperiode.
Voor de kweek is een ruim aquarium met een groot bodemoppervlak belangrijk, bij voorkeur minimaal 120 centimeter lang, maar grotere aquaria zijn beter geschikt, vooral als er meerdere mannetjes worden gehouden. Een bodem van fijn zand is cruciaal, aangezien de vissen dit gebruiken om te filteren naar voedsel en om nesten te bouwen. Het is belangrijk om scherpe materialen te vermijden die de bek van de vissen kunnen beschadigen.
Het conditioneren van de ouderdieren voor de kweek omvat het aanbieden van een gevarieerd en eiwitrijk dieet, bestaande uit fijn granulaat, levend en diepvriesvoer zoals Artemia, Cyclops en mysis. Regelmatige waterverversingen met water dat de juiste waarden heeft (temperatuur, pH, GH) zijn ook belangrijk om de vissen in optimale conditie te houden.
Tijdens de kweekperiode kan het mannetje een cirkelvormig walletje in het zand graven, waarvan hij het centrum ontdoet van onregelmatigheden. Het vrouwtje zal na het afzetten van de eieren (ongeveer 20 stuks) deze in haar bek nemen en gedurende ongeveer 3 weken niet eten. Ze zal zich in deze periode meer terugtrekken.

Het Afzetten
Xenotilapia bathyphilus is een maternale muilbroeder. Het afzettingsproces begint met het mannetje, dat een cirkelvormig walletje in het zand graaft. Hij ontdoet het centrum van dit walletje van onregelmatigheden, wat dient als een soort nest.
Na het voltooien van het nest zal het mannetje het vrouwtje proberen te verleiden tot het afzetten van de eieren. Het vrouwtje zet vervolgens haar eieren af, die ze direct na de bevruchting in haar bek neemt. Een legsel bestaat uit maximaal 20 eieren. De afzettingsperiode kan variëren, maar het vrouwtje zal de eieren gedurende ongeveer drie weken in haar bek houden. Gedurende deze periode zal ze zich meer terugtrekken en nauwelijks eten. Het zeven van zand is dan ook niet meer mogelijk voor het vrouwtje.
Opgroeien van de Jonge Vissen
Na ongeveer drie weken in de bek van het vrouwtje te hebben doorgebracht, worden de jongen van Xenotilapia bathyphilus vrijgelaten. Op dit moment zijn de jongen al in staat om zelfstandig te zwemmen en te eten.
Het eerste voedsel voor de pas vrijgelaten jongen bestaat uit fijn levend voer, zoals Artemia-naupliën. Daarnaast nemen ze ook stofvoer op dat van de bodem wordt gegeten. Het is belangrijk om de jongen regelmatig te voeren met kleine porties om ze goed te laten groeien.
Ouderzorg is beperkt tot het moment van vrijlating. Na het loslaten van de jongen, zullen de ouderdieren zich niet meer actief met de opvoeding bezighouden. Sterker nog, de jongen kunnen door de ouderdieren of andere volwassen vissen in het aquarium als voedsel worden beschouwd. Daarom is het aan te raden om de jongen te scheiden van de volwassen vissen zodra ze zijn vrijgelaten, of om ze in een apart kweekaquarium op te laten groeien.
Waterverversingen in het aquarium waar de jongen worden opgekweekt, moeten voorzichtig gebeuren om de jonge vissen niet te veel te verstoren. Het is belangrijk om de waterwaarden stabiel te houden, vergelijkbaar met die van de volwassen dieren.
Overlevingstips voor de jonge vissen omvatten het zorgen voor voldoende voedsel, het handhaven van goede waterkwaliteit en het beschermen tegen predatie door ouderdieren of andere aquariumgenoten.
Bijzonderheden
Deze vissen kunnen behoorlijk schrikachtig zijn en bij verstoringen snel de bak uit kunnen springen. Daarom wordt aangeraden om de aquaria goed af te dekken met dekruiten om ontsnappingen te voorkomen.
Conclusie
Xenotilapia bathyphilus is een boeiende cichlidensoort uit het Tanganyikameer, die zich kenmerkt door zijn bodemgebonden levensstijl en het unieke zandzeefgedrag. Met een lengte tot ongeveer 10-12 centimeter en een relatief vreedzaam temperament, is deze vis geschikt voor aquariums met een ruim bodemoppervlak en fijn zand als substraat. De verzorging vereist stabiele, harde en alkalische waterwaarden die het natuurlijke biotoop nabootsen.
Deze soort is een maternale muilbroeder en kan met succes worden gekweekt in een speciaal ingericht aquarium. Het gedrag van de vissen, met name het zandzeven en de voortplantingsrituelen, biedt aquariumliefhebbers een interessante kijk op de natuurlijke processen. Hoewel niet spectaculair van kleur, maken de schitteringen bij goed licht en de unieke levenswijze Xenotilapia bathyphilus een waardevolle toevoeging aan een Tanganyika-aquarium.
Video
Auteur
Sinds ik op mijn twaalfde mijn eerste tweedehands aquarium kocht heb ik altijd wel een of meer aquariums gehad. Ik heb zelfs een garage ingericht als kweekruimte waarin ik in 50 aquariums zo’n 10.000 liter water in gebruik had. Op het moment heb ik nog twee aquariums. Een 1250 liter Tanganyika aquarium en een 250 liter gezelschapsaquarium met planten. De laatste 10 jaar heb ik aan deze website gewerkte als schrijver en fotograaf.
Copyright foto’s
Suephoto.com (originele website is niet meer online)







