Ancistrus

Ancistrus

Het geslacht Ancistrus, beter bekend als de Borstelneuzen, is een van de meest geliefde groepen vissen in de aquariumwereld. Deze Harnasmeervallen staan bekend om hun nuttige werk als fanatieke algeneters en hun unieke uiterlijk. Vooral de mannetjes vallen op door de vlezige, gewei-achtige uitsteeksels op hun snuit, waaraan ze hun Nederlandse naam danken.

In tegenstelling tot veel andere “pleco’s” (L-nummers), blijven de meeste Ancistrus-soorten relatief klein (vaak tussen de 10 en 15 centimeter), waardoor ze in veel gemiddelde gezelschapsaquaria passen. Ze zijn over het algemeen vredelievend, sterk en makkelijk te verzorgen. Dit maakt ze een uitstekende keuze voor zowel beginners die net starten met hun eerste aquarium, als voor gevorderde liefhebbers die op zoek zijn naar een betrouwbare opruimer.

Naam en betekenis

Het geslacht Ancistrus werd voor het eerst officieel beschreven in 1854 door de Oostenrijkse ichtyoloog (visdeskundige) Rudolf Ignatius Kner.

Dit geslacht behoort tot de grote familie van de Loricariidae, die we in het Nederlands de Harnasmeervallen noemen. Binnen deze familie vallen ze onder de subfamilie Hypostominae en de tribus Ancistrini.

De wetenschappelijke naam Ancistrus is niet zomaar gekozen; hij beschrijft een belangrijk kenmerk van de vis. De naam is afgeleid van het Griekse woord agkistron, wat ‘haak’ of ‘weerhaak’ betekent. Deze naam verwijst naar de stevige, behaakte stekels (interopercular odontoden) die op de kieuwdeksels van de vis zitten. Hoewel je ze niet altijd ziet, kan de vis deze haken uitzetten als verdediging of gebruiken om zich stevig vast te ankeren in spleten, zodat de stroming hem niet meeneemt.

In de aquariumhobby gebruiken we vaak de Nederlandse naam Borstelneuzen (of de Engelse term ‘Bristlenoses’). Deze naam verwijst natuurlijk naar de opvallende, gewei-achtige tentakels op de snuit van de vissen, die vooral bij de mannetjes duidelijk zichtbaar zijn.

Kenmerken

De Ancistrus valt direct op door zijn bijzondere lichaamsbouw die perfect is aangepast aan het leven op de bodem. De vissen hebben een afgeplat lichaam met een brede kop en een vlakke buik. In plaats van gewone schubben wordt hun bovenlichaam beschermd door stevige beenplaten.

Aan de onderkant van de kop bevindt zich de kenmerkende zuigmond. Deze is uitgerust met kleine tandjes waarmee ze effectief algen van stenen, hout en ruiten kunnen raspen. Dankzij deze krachtige zuigbek kunnen ze zich ook muurvast verankeren, zelfs in sterk stromend water, zonder weg te spoelen.

Het gewei en geslachtsonderscheid
Het meest karakteristieke kenmerk, waaraan ze de naam ‘Borstelneus’ danken, is de begroeiing op de snuit. Hieraan kun je ook makkelijk zien of je een mannetje of vrouwtje hebt. De mannetjes ontwikkelen naarmate ze ouder worden een indrukwekkend ‘gewei’ van vlezige tentakels op hun neus en voorhoofd. Bij oudere mannen kunnen deze borstels zich zelfs vertakken. De vrouwtjes hebben daarentegen meestal een gladde snuit, of hebben slechts enkele hele kleine, dunne stoppeltjes langs de rand van de bovenlip.

Grootte en kleur
Qua grootte zijn ze ideaal voor de meeste gezelschapsaquaria. Ze worden doorgaans niet groter dan 12 tot 15 centimeter, waarbij de vrouwtjes vaak iets kleiner blijven dan de mannetjes. Van nature zijn ze bruin tot donkergrijs met lichte stippen, wat zorgt voor een uitstekende camouflage op een donkere bodem.

Tegenwoordig zijn er door selectieve kweek echter ook veel andere kleurvormen te vinden. De bekendste varianten zijn:

  • Albino: Een wit-gelige vis met rode ogen.
  • Gold (L144): Een populaire gele variant met donkere (zwarte of blauwe) ogen.
  • Longfin: Een kweekvorm met extra lange, sierlijke vinnen.

Schrik overigens niet als je vis plotseling lichte vlekken op zijn lichaam vertoont. Dit is meestal geen ziekte, maar een tijdelijke ‘stresskleur’ of gemoedstoestand die vanzelf weer wegtrekt als de vis zich weer op zijn gemak voelt.

Herkomst

Het geslacht Ancistrus is echte wereldburger binnen Zuid-Amerika. Ze hebben waarschijnlijk het grootste natuurlijke verspreidingsgebied van alle harnasmeervallen. Je komt ze tegen van de koude Andes-gebergten in het zuiden tot helemaal in Panama in Centraal-Amerika.

Rivieren en wateren
De meeste soorten die we in het aquarium houden, komen oorspronkelijk uit de stroomgebieden van de machtige Amazone en de Orinoco, maar ze zwemmen ook in de rivieren van Guyana en de Rio de la Plata. Ze zijn niet kieskeurig wat betreft het type water: ze worden gevonden in helder water, troebel witwater en het donkere, theekleurige zwartwater.

Natuurlijke habitat
Hoewel ze in verschillende soorten wateren voorkomen, hebben ze een duidelijke voorkeur voor de inrichting van hun ‘huis’.

  • Stroming en zuurstof: Ancistrussen houden van zuurstofrijk water. In de natuur vind je ze vaak in ondiepe gedeelten van rivieren en snelstromende bergbeekjes. Hier is het water rijk aan zuurstof en dringt het zonlicht goed door tot de bodem, wat zorgt voor een rijke algengroei, hun favoriete maaltje.
  • Schuilplaatsen: Het zijn geen vissen die je midden in het open water ziet zwemmen. Ze leven echt op de bodem en zoeken continu naar veiligheid. Ze verstoppen zich graag in spleten van rotsen, tussen rolkeien of in een wirwar van omgevallen bomen en drijfhout. Door hun platte lichaam kunnen ze wegkruipen in nauwe kieren waar grotere roofvissen niet bij kunnen komen.

Omdat ze in zo’n gigantisch gebied voorkomen, variëren de waterwaardes in de natuur enorm. Sommige soorten leven in extreem zuur water (pH 4), terwijl anderen in basisch water (pH 9) zwemmen. Ook de temperatuur verschilt: soorten uit het laagland zijn gewend aan warm water (25-30 °C), terwijl soorten uit de bergen koeler water verdragen. Dit enorme aanpassingsvermogen is een van de redenen waarom ze het zo goed doen in onze aquaria.

Gedrag

Over het algemeen staat de Ancistrus bekend als een zeer vreedzame en rustige bewoner. Het is een ideale vis voor het gezelschapsaquarium omdat hij zich nauwelijks bemoeit met andere vissen. Hij zal geen kleine visjes opeten en laat andere bodembewoners, zoals Corydoras, meestal met rust. Ze scharrelen hun eigen kostje bij elkaar en zijn de hele dag druk in de weer met het afgrazen van oppervlaktes.

Territoriumdrift
Hoewel ze naar andere vissen toe heel lief zijn, kunnen ze onderling best pittig uit de hoek komen. Vooral de mannetjes zijn erg territoriaal. Als je twee mannetjes in een te klein aquarium plaatst, zullen ze onherroepelijk gaan vechten om de beste schuilplek. Bij deze gevechten zetten ze hun kieuwdeksels uit, waardoor de “haken” (waar we het eerder over hadden) tevoorschijn komen. Ze proberen elkaar hiermee weg te duwen. In een groot aquarium met voldoende schuilplaatsen gaat dit vaak wel goed, maar voor beginners is het veiliger om slechts één mannetje te houden, eventueel samen met een of meerdere vrouwtjes.

Activiteit
Van nature zijn Ancistrussen schemer- en nachtactief. Dit betekent dat ze overdag vaak rusten onder een stuk hout of in een holletje. Pas als het licht in het aquarium dimt, of als het helemaal uitgaat, komen ze echt tot leven. Gelukkig passen ze zich in het aquarium vrij snel aan. Zodra ze doorhebben dat er overdag gevoerd wordt, zullen ze hun schuwheid laten varen en zich vaker laten zien.

Graven en woelen
Je hoeft niet bang te zijn dat ze je hele aquarium verbouwen. Ze graven over het algemeen niet veel, tenzij ze een specifiek plekje onder een steen of stuk hout net iets ruimer willen maken om in te wonen. Ze staan er wel om bekend dat ze met hun staart flink wat water kunnen verplaatsen als ze schrikken, waardoor er soms wat zand opstuift.

Ancistrus sp 4 L144

Auteur