Aphanius fasciatus
De Aphanius fasciatus is in 1821 voor het eerst beschreven door Valenciennes. Sindsdien is mede door zijn verspreidingsgebied de soort meerdere keren door anderen beschreven en herschreven. Hierdoor is een enorme lijst met synoniemen ontstaan: Lebias fasciata, Cyprinodon fasciatus, Lebias fasciatus, Atherina marmorata, Ciprinoides nanofasciatus, Aphanius nanus, Aphanius nonus, Aphanius fasciatus, Lebias lineatopunctata, Aphanius lineatopunctatus, Lebias sarda, Aphanius sarda, Poecilia calaritana, Aphanius calaritanus, Cyprinodon calaritanus, Lebias calaritana, Lebias calaritanus, Lebias caleritana, Lebias flava, Aphanius flavus, Lebias nigropunctata, Lebias nigropunctata, Aphanius nigropunctata, Cyprinodon moseas, Aphanius moseas, Cyprinodon hammonis, Aphanius hammonis, Cyprinodon ammonis, Cyprinodon cyanogaster, Aphanius cyanogaster, Cyprinodon doliatus, Aphanius doliatus, Micromugil timidus, Aphanius timidus, Micromugil macrogaster, Cyprinodon dispar, Cyprinodon desioi.
Herkomst
De Aphanius fasciatus komt voor langs de Noord Afrikaanse en Zuid Europese kust van de Middellandse Zee. Ze komen daar voor in zowel zoet als in brak water.
De landen waar ze van oorsprong voorkomen zijn Algerije, Egypte, Libië, Tunesië, Cyprus, Israël, Libanon, Syrië, Turkije, Albanië, Bosnië Herzegovina, Croatië, Frankrijk, Griekenland, Italië, Malta, Montenegro, Slovenië.
Vorm en kleurtekening
De lichaamsvorm is gestrekt, zijdelings enigszins samengedrukt. De grondkleur is grijsachtig groen met een groot aantal smalle, donkere dwarsbanden. De vinnen zijn bleek tot diep oranjegeel; de rugvin heeft een donkere rand en de staartvin een onduidelijke streeptekening. Ze worden maximaal zo’n 6 centimeter lang.
De vrouwtjes zijn zwaarder gebouwd, egaal grijsachtig bruin van kleur en bezitten over het gehele lichaam kleine donkere vlekken en strepen.
Verzorging
De Aphanius fasciatus vereist een vrij groot aquarium met veel schuilplaatsen, zodat wanneer er gevechten uitbreken de verliezer een plekje kan vinden om zich terug te trekken. Meestal zijn deze gevechten zeer onschuldig van aard. Aphanius fasciatus is niet echt geschikt voor de gezelschapsbak. De samenstelling van het water is niet zo belangrijk, mits men er maar 5 gram zeezout per liter aan toevoegt.
Temperatuur
De Aphanius fasciatus kan overleven in temperaturen van zo’n 10 tot 24 graden. In de natuur hebben vissen te maken met schommelende temperaturen. Gedurende lange tijd vissen op de minimum of maximum temperatuur houden is niet altijd gewenst en kan de gemiddelde levensduur van de dieren bekorten.
Voedsel
Het hoofdvoedsel bestaat uit waterinsecten, muggenlarven en cyclops, regelmatig aangevuld met enig plantaardig voedsel.
Kweek van de Aphanius fasciatus
De meeste gezonde vrouwtjes leggen regelmatig grote, grijsachtig witte eieren tussen de drijfplanten en plukjes algen. Deze eieren kan men verzamelen en in een opfokbakje overbrengen. Meer eieren verkrijgt men echter door het kuitrijpe vrouwtje met 2 mannetjes apart te zetten. Hiervoor gebruikt men een klein, volglazen bakje met daarin slechts een klein plukje fijnbladerige planten of een bosje nylondraad. De eieren komen na ca. 14 dagen uit; de jongen zwemmen een dag later vrij en kunnen direct artemia-naupliën eten.
Video
Auteur
Bianca
Copyright foto’s
Aphanius fasciatus van Etrusko25 – CC – BY-SA 4.0 – Gebaseerd op een werk op Flickr.